Childhood : Carelessness

Playgrounds by Laurence Alma-Tadema

In summer I am very glad
We children are so small,
For we can see a thousand things
That men can't see at all.

They don't know much about the moss
And all the stones they pass:
They never lie and play among
The forests in the grass:

They walk about a long way off;
And, when we're at the sea,
Let father stoop as best he can
He can't find things like me.

But, when the snow is on the ground
And all the puddles freeze,
I wish that I were very tall,
High up above the trees.

Spelen

In de zomer ben ik blij dat ik klein ben.
Wij zijn nog klein genoeg om dingen te zien die volwassenen over het hoofd zien.

Zij weten niet meer hoe zacht het mos is en hoeveel stenen er liggen.
Ze liggen nooit meer op de grond in het bos.
Als ze bij de zee zijn zien ze niet meer wat ik allemaal nog zie.

Maar als er sneeuw is, dan zou ik willen dat ik groot was.

Als je kinderen hun gang laat gaan en je geeft ze niet teveel kant en klaar speelgoed, dan gaan ze met hun fantasie aan de gang. Ze hebben niets nodig en spelen met alles wat voorradig is. In de natuur, in huis, waar dan ook. Ze verzinnen spelletjes en spelen de hele dag.

Pas als je ze dat afpakt door ze van alles voor te schotelen waar je geen fantasie voor nodig hebt zie je hun fantasie opdrogen. Dan gaan ze zich vervelen. Mijn eigen kinderen konden uren spelen. Ze kibbelden tussendoor, maar dat hoort er ook bij, zeggen ze. Pas toen ze naar school gingen en de dag voor ze werd gestructureerd, leerden ze het verschijnsel verveling kennen. Daar had ik een feilloos middeltje tegen. Opruimen. En als ze iets tegen kwamen om mee te spelen mochten ze verder spelen. Het werkte altijd. En fantasie hebben ze nog, in ruime mate.