Teenager : Awareness of Own Indentity

Practicing? by Marie Howe

I want to write a love poem for the girls I kissed in seventh grade,
a song for what we did on the floor in the basement

of somebody’s parents’house, a hymn for what we didn’t say but thought:
That feels good or I like that, when we learned how to open each other’s mouths

how to move our tongues to make somebody moan. We called it practicing, and
one was the boy, and we paired off–maybe six or eight girls–and turned out

the lights and kissed and kissed until we were stoned on kisses, and lifted our
nightgowns or let the straps drop, and, Now you be the boy:

concrete floor, sleeping bag or couch, playroom, game room, train room, laundry.
Linda’s basement was like a boat with booths and portholes

instead of windows. Gloria’s father had a bar downstairs with stools that spun,
plush carpeting. We kissed each other’s throats.

We sucked each other’s breasts, and we left marks, and never spoke of it upstairs
outdoors, in daylight, not once. We did it, and it was

practicing, and slept, sprawled so our legs still locked or crossed, a hand still lost
in someone’s hair . . . and we grew up and hardly mentioned who

the first kiss really was–a girl like us, still sticky with moisturizer we’d
shared in the bathroom. I want to write a song

for that thick silence in the dark, and the first pure thrill of unreluctant desire,
just before we’d made ourselves stop.

Practicing?

Ik wil een versje schrijven voor de meisje die ik kuste in de achtste groep
Een liedje, over wat we deden op de kelder vloer.

In het huis van een van onze ouders.
Een liedje voor wat we niet zeiden maar dachten
Dat is lekker, of dat doe dat nog eens, en we leerden hoe we elkaars monden konden openen.

Hoe we onze tongen konden bewegen om elkaar te laten kreunen.
We noemden het oefenen, een was de jongen
We verzamelden zes of acht meisjes en deden het licht uit
En kusten en kusten tot we dronken waren van het kussen.

We tilden onze nachthemden op en lieten de bandjes zakken
betonnen vloer, slaapzak of bank, speelkamer,
computer kamer, treinkamer, washok.
Linda's kelder was als een boot met patrijspoorten
in plaats van ramen.

Gloria's vader had een bar met barkrukken die draaien,
met pluizige overtrekken.
We kusten elkaars hals.
We sabbelden op elkaars borsten en
We lieten sporen na, en we spraken nooit ergens over boven.

Of buiten bij daglicht. Nooit.
We deden het en het was oefenen.
We sliepen met onze benen nog open of juist gesloten,
een hand nog verloren in elkaars haar.

We groeiden op en merkten nauwelijks
van wie de eerste kus eigenlijk was.
Van een meisje zoals wij, met de kleverige gel
die we met elkaar deelden nog in ons haar.

Ik wil een lied schrijven over die dikke stilte in het donker.
En de eerste echte opwinding van lust zonder weerzin

Vlak voordat we er mee ophielden.